God Jul!

God Jul!

Binnenkort zijn wij, in het onderwijs, weer gezegend. En wel met twee hele weken vakantie. Om, onder andere, de kerstdagen door te brengen met familie aan feestelijke maaltijden. En om het nieuwe jaar te begroeten.

Dat is ook het moment waarop je terugkijkt en mensen wilt bedanken. En dat doe ik dan, in de vorm van deze blog. En heb ik al gedaan, in een ander schrijfsel. En aangezien herhaling kracht in zich meedraagt, gebruik ik dezelfde tekst gewoon opnieuw. Dat mag, als het je eigen teksten zijn.

In het onderwijs maak ik dankbaar gebruik van deskundigen, ervaringsdeskundigen op allerlei vlak. Meestal is dat wel een raakvlak, met het onderwijs dat ik verzorg. Zo ga ik bijvoorbeeld met lesgroepen naar het begraafpark Moscowa in Arnhem en daar worden we zeer gastvrij ontvangen. Door de manager, André. Dank je! En bij zijn achterburen, Uitvaartcentrum Dela, zijn we ook vaak welkom. Ingrid bedankt!

Ook werk ik vaker samen met mensen van de zorgorganisatie Siza, te Arnhem. Pia, dank je voor je inzet bij het Design Team! En je collega, Gijs, dank ik ook in mijn column voor de MBO Krant:

De kracht van de werkelijkheid

Toen de titel getypt werd, was al wel duidelijk wat de inhoud zou gaan worden, maar toch kwam ‘ie erg filosofisch over. En dat dekt niet persé de inhoud. Die gaat namelijk niet over filosofische beschouwingen over de werkelijkheid. Dus geen overdenkingen als die van Plato, geen overpeinzingen over een waarneembare en ideële werkelijkheid. Nee, de werkelijkheid die gepresenteerd werd aan mijn studenten.

Die is krachtig, als middel om het werk te leren kennen waar ze voor studeren. Die is krachtig om hen te laten zien wat er ‘nog meer te halen is uit het leven’. En dat dankzij een opdracht die ze meenamen tijdens een bezoek aan de praktijk van de zorgverlening aan mensen met Niet Aangeboren Hersenletsel (NAH).

In deze column wil ik ook ‘mijn gastdocent’, Gijs van den Brink, (nogmaals) bedanken voor zijn bijdrage aan het leveren van deze krachtige werkelijkheid. Gijs heeft namelijk NAH en is cliënt van een grote zorgorganisatie en woont sinds enkele jaren op Het Dorp (in Arnhem). Daar woont hij, maar werkt hij ook in allerlei rollen, taken en functies. Met studenten bezoek ik Gijs.

De studenten krijgen de opdracht om, vooraf, vragen op te stellen die ze zouden willen vragen aan Gijs. Vragen die gerelateerd zijn aan NAH en aan de Vier Domeinen van Verantwoorde Zorg (voor de lezers die niet uit de zorg komen, dat is een model om op methodische wijze gegevens te verzamelen over een persoon en diens leven). Op zich is dat al lastig voor de (tweede leerjaar, Verzorgende IG) studenten. Maar dan moeten ze die vragen ook nog echt gaan stellen aan een persoon met NAH, zijnde Gijs.

En dan komt de kracht van de werkelijkheid tot volle wasdom: dan stappen ze in de wereld van iemand met NAH. Letterlijk, want ze bezoeken zijn woonomgeving. Maken hem mee in de omgeving waarin hij zich veilig voelt en waar hij ‘thuis is’. Ze spreken en zien hem in zijn eigen appartement. In zijn werkelijkheid. De werkelijkheid van iemand die andere mogelijkheden heeft als zij zelf. Maar die tot een aantal jaren geleden dezelfde mogelijkheden had (misschien iets meer, Gijs is hoog opgeleid), maar die door zijn hersenbloeding mogelijkheden heeft ingeleverd (zoals staan, lopen, etc.).

En dan krijg je verslagen onder ogen met opmerkingen als: “Ik vind dit een geweldige ervaring”, “Ik vond het erg leerzaam!” en “Ik heb het gesprek met Gijs als heel indrukwekkend en leuk ervaren”.

En dat is krachtig. Het drukt jonge studenten met de neus op de feiten. Ze leren hoe iemand omgaat met verlies, met beperkingen in het bestaan. Maar ze leren ook hoe het is om te ‘leren met vallen en opstaan’. Hoe het leven anders kan lopen en hoe je er toch alles uit probeert te halen. Een levensles, naast opdoen van kennis en het communiceren met iemand die lichamelijke beperkingen heeft. Power!

En naast deze twee ervaringsdeskundigen dank ik ook Bram-Sieben, die met zijn artikel in dezelfde MBO Krant verscheen. Altijd leuk om zo’n vervolg te hebben op de lessen die hij bij mij verzorgde.

Tot slot wil ik iedereen bedanken die ik hier niet bij naam heb genoemd, maar die wel een bijdrage hebben geleverd aan het onderwijs in het kalenderjaar 2018. Zeker onze studenten, die zelfs met mij “Zwarte Piet” speelden. En de lessen iedereen keer weer een nieuwe uitdaging maakten. En de collega’s, die in diverse verbanden kritisch, samenwerkend en inspirerend waren. En tot slot al die anderen die ik het afgelopen jaar, in mijn hoedanigheden (docent, docent-onderzoeker, netwerker, stagebegeleider) heb mogen ontmoeten, spreken en horen spreken. Vele malen was het zeer interessant en inspirerend. Dank!

En voor allen: een heel erg inspirerend nieuw jaar, vol nieuwe ontdekkingen, ontmoetingen en andere mooie momenten!

 

Advertenties

Zonder titel door het leven

Zonder titel door het leven

Ik kreeg het advies van een collega docent om mijn frustratie van me af te schrijven. Nu was ik al wel wat gewend, wat schrijven betreft, dus dat was niet aan dovemansoren gericht. Ik hoop dat ik in twee zinnen de nieuwsgierigheid heb gewekt, maar het woord frustratie is misschien wat te groot voor mijn gevoel. Het gaat echter om het volgende:

Ik ben ooit opgeleid tot verpleegkundige. En wel in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Toen was het nog de Z-verpleegkundige (waar de Z stond voor de sterk verouderde term ‘zwakzinnigenzorg’). En toen was net het BIG register geopend. En daar werd je dan als verpleegkundige in geregistreerd. Jaren lang was er geen vuiltje aan de lucht, werd je titel gewoon in het register beschermd en was de zorgvrager (als je in de zorg werkt) veilig, want tenslotte is de geregistreerde verpleegkundige bevoegd én bekwaam. Althans, dat is het uitgangspunt.

Sinds enkele jaren is het zo geregeld dat je met enige regelmaat moet herregistreren. Dat geldt voor iedereen die als verpleegkundige in het register staat. Ook als je, net als ik, docent geworden bent (waar je ook een opleiding voor hebt gevolgd en wat je dan als je ‘nieuwe’ beroep mag beschouwen). Voor de duidelijkheid heb ik even de letterlijke tekst van het ministerie opgezocht over de reden van herregistratie (om duidelijk te maken waarom ik ‘gefrustreerd’ ben).

De letterlijke tekst (meer lezen: https://www.bigregister.nl/herregistratie):

In het BIG-register staan zorgverleners die actief werken in hun beroep. Met herregistratie toont een zorgverlener aan dat hij voldoende uren heeft gewerkt in zijn vak en/of voldoende scholing heeft gevolgd om bij te blijven in het beroep.

Het doel van herregistratie is het vergroten van de kwaliteit in de zorg. Het BIG-register geeft inzicht wie in welk (basis)beroep mag werken. Herregistratie bevordert dat er zorg wordt verleend door zorgverleners die actief werken in hun beroep. Daarvoor moeten ze aantonen voldoende uren te hebben gewerkt in hun vak, óf ze kunnen scholing volgen en daarmee aantonen dat ze voldoen aan het vereiste niveau.

Dus: als je docent verpleegkunde bent (en het grootste deel van de afgelopen jaren alleen maar in de school werkzaam bent geweest en niet ‘aan het bed’) moet je aantonen dat je nog bevoegd en bekwaam bent. En nu start mijn ‘frustratie’.

Er zijn namelijk redelijk wat docenten die vinden dat ze ooit (allemaal 50+, voor de beeldvorming) nog wel zouden kunnen gaan werken in de zorg (en voelen zich dan ook bekwaam). Die willen hun titel niet kwijt. Die denken dat herregistreren hun de titel doet toekomen, dat zij de kwaliteit van zorg vergroten, dat zij actief werken in hun beroep (ahum, hun beroep is nu toch docent?). Maar omdat ze niet in de zorg werken moeten ze het via scholing aantonen. Dus gaan ze (en dat kost geld!) ‘bijscholen’. Gaan ze lessen volgen en vervolgens een examen doen. En als ze dan slagen is er (veel) geld gestoken in bijscholing en het doen van examens. Om maar niet te spreken de tijd die daarin gestoken werd.

Om vervolgens gewoon weer voor de klas te staan (maar wel met een titel!). Hoogstwaarschijnlijk tot aan hun welverdiende pensioen. Net als ik. Zonder titel. Alhoewel, ik heb die inmiddels achter mijn naam. Omdat ik het er niet bij gelaten heb en in mijn nieuwe beroep gestudeerd heb en mezelf nu Master of Education mag noemen. Maar ik hecht waarde aan de kwaliteit van zorg, als docent vertel ik er over. Maar ik ben zeker niet meer bekwaam en daarmee zeker niet bevoegd om de titel van verpleegkundige te dragen. Ook niet na een paar lesjes en een toets. Haal mij maar door, dan maar ‘niet praktiserend verpleegkundige’.

Aantrekkelijk onderwijs, geen vanzelfsprekendheid

Aantrekkelijk onderwijs, geen vanzelfsprekendheid

Ik schreef een column voor de 50e editie van de MBO Krant (waar ik trots op ben, dat geef ik toe) en later kwam het onderwerp nog diverse keren ter sprake met collega’s van allerlei pluimage. Want de kern, hoewel het begint met een voorval in het vorig schooljaar, blijft actueel. En dat is maar goed ook. Want we moeten blijven stilstaan bij de vraag hoe we het onderwijs zo aantrekkelijk maken dat studenten graag naar school komen.

De column zelf (zeker niet mijn eerste, maar ook niet de laatste voor de MBO Krant) volgt nu:

De stakingen in het openbaar streekvervoer, van eind juni, hebben me wel tot denken aangezet! En dan niet over de vraag of een plaspauze gerechtigd is tijdens een dienst van een aantal uren (want zolang we nog geen bussen met automatische piloot hebben zal er ook geen on-board toilet komen en bij alle haltes een Dixie toilet neerzetten staat ook zo raar), maar meer over ‘mijn studenten’ en hun reactie op deze acties. En dan ook weer niet hun reactie op de eisen van de chauffeurs in het streekvervoer. Nee, hun reactie op het feit dat ze met hun OV kaart ineens moesten gaan fietsen.

En daar begint het: een (klein) deel van ‘mijn populatie studenten’ komt uit Arnhem (de vestigingsplaats van de school) en dan ook nog specifiek uit de directe omgeving van de school (gelegen in het zuidelijke deel van de stad). De rest (en dat is vaak het overgrote deel van de lesgroep) komt vaak uit een brede straal rond Arnhem. Die straal kan oplopen tot (ruim) boven de 40 kilometer.

Op zich kan ik me dan voorstellen, als je zover van de schoollocatie woont, dat je dan zoiets hebt als: “ja ja, ik ga dat hele eind niet fietsen!”. Enerzijds. Anderzijds ligt er ook een verantwoordelijkheid zodra je inschrijft bij een school die ver buiten je eigen ‘verzorgingsgebied’ ligt. Maar daar kan een student gegronde redenen voor hebben. Een andere invalshoek is ook dat je een verplichting hebt ten opzichte van jezelf, je klasgenoten, je docent en de school om je actief in te zetten voor je opleiding. Dat is ook een soort motivatie die vaak niet intrinsiek aanwezig is bij studenten in een mbo-opleiding. Als daar dan ook nog eens zomers weer bij komt kijken (strandweer), dan wordt het nog moeilijker, voor de studenten, om die motivatie op te diepen om allerlei regelingen te gaan treffen.

Tot zover degenen die van ver moeten komen, omdat ze nu eenmaal een school dichterbij niet hebben gekozen, om moverende redenen. Maar hoe werkt dat dan bij studenten die, bij wijze van spreken, om de hoek wonen? Wat gebeurt daarmee? De enkelingen die wel komen hebben daar goede redenen voor: willen toetsen halen, examens maken, willen oefenen of zijn gewoon gemotiveerd om het maximale uit hun opleiding te halen. Dan blijft er alsnog een groep over die dat allemaal niet doet. Die redenen laat horen als: ik heb geen fiets. Ik ga dat hele eind niet lopen. Of: dan moet ik een OV fiets huren, dat kost me extra geld.

Allemaal heel begrijpelijk, Als je mbo student bent. Ik blijf het ergens ook moeilijk vinden, als docent. Als een vijftiger die een volledige werkweek werkt en niet te beroerd is om vanavond weer naar mijn werk te rijden om daar een hele avond bij een uitreiking van een certificaat aanwezig te zijn, omdat ik de studieloopbaancoach ben.

Ik wil ook niet de studenten opleggen hoe ik zelf in het werk sta, hoe ik me verantwoordelijk voel voor mijn studenten en mijn werkzaamheden. Ik zal ze ook niet zeggen dat ik de 20 kilometer naar mijn werk ook met de fiets zou afleggen als ik daarvan afhankelijk zou zijn. Dat ik dan ook ruim op tijd zou zijn (en niet elke keer net iets te laat, zoals zovele studenten). Dat zou niet eerlijk zijn. Of toch wel? Ik zou dat graag delen met anderen, die visie op wat onze toekomstige beroepsbeoefenaren mee (moeten) krijgen over arbeidsethos. Hoewel ik wel vaak (en dat stelt dan toch weer een deel gerust) hoor dat ze wel op tijd op hun stageplek komen, dat ze daar wel altijd op tijd zijn. Met of zonder OV. Dat is blijkbaar belangrijker dan op school komen.

En dat laatste is een pijnlijke conclusie. Dat zou namelijk betekenen dat we school niet interessant of belangrijk genoeg maken voor ze. Dat ze daar niet genoeg halen om gemotiveerd te blijven, om blij te worden van een dag school. Dat kan nooit de bedoeling zijn.

De waarheid zal ergens in het midden liggen. Wij, docenten, doen ons uiterste best om, ook voor een bijna leeg lokaal, het onderwijs zo goed mogelijk vorm te geven. De studenten willen ook wel, maar leggen hun prioriteiten soms heel anders dan wij zouden vermoeden. Wie het weet, mag het zeggen.

Indiana Jones, oerwouden en Rome

Indiana Jones, oerwouden en Rome

Wat hebben de drie termen in de titel met elkaar te maken? Ik hoop dat men dit denkt. Dan wordt er misschien wel verder gelezen.

Ik denk graag in metaforen en tijdens het laatste overleg met mijn collega’s van het practoraat Tech@doptie (www.techadoptie.nl) kreeg ik even een flits van herinnering. Die vertaalde zich direct in een metafoor voor het gevoel dat ik soms krijg bij onze werkzaamheden. Ik zal het uitleggen, want als lezer heb je nu misschien al geen idee meer waar ik het over wil hebben. Logisch.

De titel doet menigeen (mogelijk) denken aan films met Harrison Ford in een grijs verleden. Precies! Die! En als ik dan denk aan mijn werkzaamheden binnen het practoraat, het onderzoeken, zoeken naar bijzondere dingen (die al door een ander ontdekt of gemaakt zijn, maar nuttig en waardevol zijn), dan voel ik me net Indiana Jones. Hij gaat op een spannende ontdekkingsreis (gelukkig is die van mij veel veiliger), maakt van alles mee en ontmoet interessante mensen. Maar uiteindelijk vindt hij dingen (voorwerpen, ideeën, etc.) van anderen. Zaken die al bestaan, die hun bestaan al hebben bewezen en niet nieuw zijn. En dat is niet slecht, maar hij ontdekt ook niet iets nieuws. En dat doe ik ook niet. En daar is niets mis mee (de reis is waardevol).

Maar het bracht we wel aan het denken, over het doel van mijn werkzaamheden. En dan heel specifiek voor ons practoraat, in onze omgeving (ROC, regio, etc.). Dat doet je dan wel denken aan wat je doet en waarvoor. En toen drong zich een tweede metafoor zich aan me op. Een die relatie heeft met de eerste. Want Indiana Jones ging vaak genoeg op onderzoek in het oerwoud. En onderzoek doen naar zorgtechnologie (dat doen we bij het practoraat), is net zoiets als zoeken naar een bepaalde boom in het oerwoud. Het zoeken naar dat ene nieuwe, nog onbekende, is er niet bij. Het moet echt veel gestructureerder en gerichter, zodat we niet verdwalen en uiteindelijk niet vinden wat we zoeken.

Verder pratend met mijn collega(‘s) kwamen we er ook op uit dat, als je kijkt naar wat er al onderzocht is en nog steeds wordt, dat Rome ook een passende metafoor is. Want het gezegde luidt dat er meerdere wegen naar Rome leiden (hoewel de theorie over Rome en wegen er op duidt dat de wegen van Rome af leiden), maar belangrijker is dat er op die wegen allemaal onderzoekers in hun eigen vervoersmiddel dezelfde wegen afleggen om in Rome (hier de metafoor voor zorgtechnologie) te komen.

Hopelijk is het iets duidelijker geworden. Er waren dus drie metaforen:

  1. Indiana Jones staat voor de onderzoeker, die mooie avonturen (reizen) beleefd en daarbij interessante ontdekkingen doet en mensen ontmoet, zonder dat er iets uitkomt waarvan je kan zeggen: dat is nieuw!
  2. Het oerwoud staat voor de enorme hoeveelheid kennis die er inmiddels al is (en nog steeds bij komt) over zorgtechnologie en waar je gericht in moet zoeken om te komen tot iets waar je wat aan hebt (zoals voor een bepaalde regio, voor bepaalde opleidingen, etc.).
  3. Rome en de wegen er naartoe staan voor de zorgtechnologie en de hoeveelheid mensen die zich er mee bezig houden, allemaal op hun eigen manier en met hun eigen (vervoers)middelen.

Voor mij betekent het eigenlijk dat ik een taak/functie heb die me op een mooie en interessante reis stuurt, waarbij ik nieuwe dingen zie, mensen ontmoet en uiteindelijk een mooie stad bezoek. Ach, ik had het dus slechter kunnen treffen. Ik ga mijn hoed pakken.

Discriminatie

Discriminatie

Toen ik de vraag kreeg of ik weer een column voor de MBO Krant kon aanleveren hoorde ik net een bericht op het journaal, afkomstig van het JOB. Deze jongerenorganisatie voor en in het mbo pleit er voor om iedereen die een opleiding volgt in het mbo ook student te noemen, net als in het hbo en op de universiteit. Dit is geen nieuwe discussie. Een beetje zoeken op het net levert als snel berichten op die jaren teruggaan en inmiddels zijn ook in de teksten van het ministerie voorzien van de term ‘studenten’ als het gaat om ‘deelnemers aan een opleiding in het mbo’. Een voorbeeld hiervan is de kamerbrief van 20 april 2018 (Kabinetsreactie op de adviezen van de SER en de Commissie Macrodoelmatigheid mbo), waarin ook de CMMBO de term mbo-2 student gebruikt.

De JOB geeft aan dat studenten mbo (of leerlingen, of deelnemers, om het maar even onduidelijk te maken) bepaalde kortingen mislopen. Ik dacht bij het horen van dat bericht: ik ben docent, maar geregistreerd in een lerarenregister (daarover nu maar even niets schrijven…..), maar had ook advocaat kunnen heten (van de duivel weliswaar, dat zal zo blijken). Ik denk namelijk dat het wel meevalt met die discriminatie van studenten mbo. Om een paar voorbeelden te noemen: bij New York Pizza (bij veel van mijn studenten bekend, er is er zelfs een floormanager, als bijbaantje) krijg je korting, als scholier of student. Het maakt niet uit hoe je heet. Via Surfspot krijg je korting op laptops, etc. Of je nu bij het mbo of het hbo ingeschreven staat. Op het mbo krijgen de studenten elk jaar de mbo-card (CJP), waarmee op vele plekken korting verkregen wordt. En daarom ben ik nu even advocaat van de duivel: student of leerling, je krijgt die korting echt wel (studenten OV!). Het spijt me voor ‘mijn eigen studenten’, maar geweigerd worden in een studentenkroeg is wat anders dan niet voor vol aangezien worden. Ik weet zeker, dat studenten mbo zeer gewaardeerd zijn en worden, door zowel hun ouders, klasgenoten, docenten (of leraren?), het bedrijfsleven en het ministerie. En toch hebben ze ergens een punt: het is onduidelijk. Onze studenten BBL krijgen in de beroepspraktijk een ‘leerlingensalaris’, maar dat krijgt een duale student aan een HBO-V ook en wordt in de CAO VVT aangeduid als leerling-verpleegkundige. Kortom: het is ondoorzichtig en onduidelijk, de termen leerling, deelnemer en student worden door elkaar gebruikt om het zelfde aan te duiden: iemand die een opleiding of studie volgt, na het doorlopen van het voortgezet onderwijs. En dat is geen vorm van discriminatie, maar een vorm van ‘het spreken van een en dezelfde taal’. En dat is lastig. Zelfs de Taalunie heeft er moeite mee, omdat in het Belgisch taalgebied ook dezelfde ‘onduidelijkheid’ heerst.

Maar goed, zo zijn er weer veel mensen bezig met iets als een term, studenten, journalisten, staatssecretaris en minister, columnisten en wellicht nog veel meer mensen.

Tot slot nog een overdenking van mezelf: nu ben ik docent/leraar, maar volg een cursus, dan ben ik cursist. Een cursus Spaans. En in het Spaans ben ik een profesor. Klinkt toch ook wel leuk. Misschien eens aankaarten, of we in het mbo ook geen andere aanspreekterm kunnen krijgen. Volgende discussie.

Toolbox

Toolbox

Onlangs nam ik deel aan een zeer interessante bijeenkomst met docent-onderzoekers, practoren en lectoren. Deze bijeenkomst ging vooral over onderzoek (doen) en onderwijs, waarbij de nadruk lag op het mbo, mijn werkomgeving. In de gesprekken, met diverse collega’s uit het onderwijswerkveld, kwam een mooie metafoor naar voren: die van een gereedschapskist. Voor degenen die graag het Engels in de Nederlandse taal integreren: een toolbox.

Een aantal jaren geleden ben ik, ook met een gemêleerde groep onderwijsprofessionals, op een studiereis naar Schotland geweest en was zo’n ‘gereedschapskist’ een van de opbrengsten. We hebben gezamenlijk nagedacht over de inhoud.

Nu, een tijd daarna, komt de metafoor weer om de hoek kijken en nu in het kader van onderzoek(en). Daar ligt momenteel een groot deel van mijn interesse, als het gaat om onderwijs. Als kersverse docent-onderzoeker bij het practoraat Tech@adoptie is onderzoek een (bijna dagelijks) terugkerend onderdeel van mijn werk. En de gereedschapskist kan mijn werk vertegenwoordigen. In deze gereedschapskist kan ik, als docent, allerlei gereedschap kwijt. En natuurlijk allemaal in metaforen gedacht natuurlijk. Ik sleep geen daadwerkelijk kist met me mee van lokaal naar kantoor en terug. Of naar een gesprek met een student. Maar die kist zit wel gevuld met allerlei stukken gereedschap, met elk een andere functie. Om mijn taken als docent (-onderzoeker, studieloopbaancoach en bron van kennis en ervaring) te kunnen uitvoeren.

Terug naar het onderzoek(en). In de gesprekken  met andere onderzoekers en docenten kwamen we er op uit dat onderzoek doen tot een van de gereedschappen behoort van de hedendaagse docent in het mbo. Om een (eigen bedachte, als je een betere weet, laat het dan horen) metafoor te gebruiken, kan ik mijn gereedschapskist een loep kwijt. Of mijn leesbril, steeds vaker nodig als ik me in literatuur wil verdiepen. En andere stukken gereedschap zouden een hamer kunnen zijn (op de spijker mee op z’n kop te slaan, als je een onderwerp in de lessen benadrukt), een tang (om de angel uit de groep te halen als het gaat om groepsdynamica), een meetlint (om langs te prestaties van de studenten te leggen, maar wel aangepast en in meerdere vormen in de kist) en een koevoet (om af en toe de boel eens goed open te breken). Sommigen hebben ook een zaag (om door te zagen over één onderwerp) en andere een waterpas (omdat ze altijd gelijk willen). Niet alle gereedschappen zijn even nuttig.

Heel leuk hoor, zo’n gereedschapskist of toolbox. En iedereen kan er figuurlijk mee rondlopen. Maar daarmee zijn we er nog niet. Niet iedere docent heeft dezelfde gereedschappen in zijn kist en misschien zit er soms zelfs iets in waar men niet weet hoe het te hanteren. Maar onderzoek als instrument om de kwaliteit van onderwijs te verhogen of om nieuwe manieren van leren te ontdekken, is ook niet in elke kist vertegenwoordigd.

En die kisten waar het onderzoek wel een stuk gereedschap is, omdat de docent nieuwsgierig en lerend is,  hoeven in de praktijk van het onderwijs nog niet eens tot hun recht te komen. Dat heeft weer te maken met de omgeving. Het is soms onvoldoende om te willen leren, om te onderzoeken en nieuwe wegen te willen vinden. Als de cultuur niet daarop ingericht is, als de school niet dezelfde ruimte biedt als in het hoofd van de docenten met onderzoek in de gereedschapskist, is het geen vanzelfsprekendheid. Daarom is het ontwikkelen en in stand houden van een onderzoekende cultuur binnen de school van cruciaal belang. Om het onderwijs van nu en de toekomst de nieuwsgierigheid te blijven prikkelen. Van studenten en docenten. Omdat ze samen onderwijs maken tot wat het is: dagelijks inspirerend en boeiend. En onderzoeken maakt daar deel van uit. Ieder op zijn eigen manier, met zijn eigen toolbox.

Altijd in beweging

Altijd in beweging

Sommige mensen, ook die in de eigen familie- of kennissenkring, hebben soms het idee dat lesgeven in het mbo altijd maar hetzelfde is. Dat het bestaat uit je lessen geven (voorbereiden hoeft niet meer, want dat doe je al 20 jaar……), beetje gesprekken voeren en vooral veel vakantie vieren. Niets is minder waar. Alhoewel ik persoonlijk niet klaag over de vakanties. En lessen voorbereiden doe ik nog steeds, telkens weer, omdat de werkelijkheid van de samenleving bijna dagelijks nieuwe input verzorgd. Actueel blijven is, in mijn ogen, van wezenlijk belang om het onderwijs (en dan spreek  ik vanuit mijn eigen beroepspraktijk van het zorgonderwijs) up to date en interessant te houden. Eeuwenoude theorie is soms nodig, maar de dagelijkse praktijk binnenhalen is voor de meeste studenten enorm belangrijk om te weten waar ze voor leren.

En het mbo is niet ‘altijd maar hetzelfde’. Sterker nog, je hebt de ene ontwikkeling (competentiegericht onderwijs, weet je nog?) nog niet achter de rug of de volgende staat je alweer te wachten. Niet dat dit voor de buitenwereld zichtbaar is. Nee, die ga je op een verjaardagsfeestje ook niet vertellen dat je, tussen het lesgeven en voeren van gesprekken door, continu bezig bent met de ontwikkelingen in je vakgebied. Zo zijn er de veranderende beroepsprofielen van de verzorgende en verplegende beroepen. In 2020 moeten alle, nieuwe beroepsprofielen in de wet BIG opgenomen zijn en zijn ze leidraad voor het werken in de praktijk. Dat betekent dat we, als onderwijs, aan de bak moeten om de studenten klaar te stomen voor die beroepsprofielen. Opgesteld met als uitgangspunt de CanMEDS rollen (CanMEDS = canadian medical Education directions for specialists). Ook iets compleet anders dan we al die jaren hiervoor gewend waren. Ook nieuw in het kwalificatiedossier. Nieuw in de boeken, nieuw in de lesmaterialen, examens en ga zo maar door.

En dan heb ik het nog niet over het nieuwe opleiden, waar we steeds meer mee te maken hebben. En waar ik overigens een groot voorstander van ben. Bekende (of steeds meer bekende) vormen daarvan zijn het hybride leren of het praktijkleren. Binnen onze opleiding zijn we ook gestart met een samenwerkingsverband met zorginstellingen om daarbinnen studenten vanaf dag één op te leiden in de zorgpraktijk, waardoor ze nog maar minimaal in de school komen. Ga dat maar eens uitleggen op een feestje: dat je studenten nog maar minimaal op school komen. Of dat je zelf les geeft in een zorginstelling. Of misschien doe ik dat binnenkort wel, want het is een succes en haalt zelfs de krant (regionaal weliswaar). En we zijn er trots op.

Al met al geven deze kleine voorbeelden, want er veranderd nog elke dag veel in het onderwijs, duidelijk aan dat het mbo niet statisch is, dat het vooral zeer flexibel is en dat we elke dag bezig zijn met vooruit kijken, met ontwikkelen en dat we, geheel volgens het plan: een leven lang leren.