Toolbox

Toolbox

Onlangs nam ik deel aan een zeer interessante bijeenkomst met docent-onderzoekers, practoren en lectoren. Deze bijeenkomst ging vooral over onderzoek (doen) en onderwijs, waarbij de nadruk lag op het mbo, mijn werkomgeving. In de gesprekken, met diverse collega’s uit het onderwijswerkveld, kwam een mooie metafoor naar voren: die van een gereedschapskist. Voor degenen die graag het Engels in de Nederlandse taal integreren: een toolbox.

Een aantal jaren geleden ben ik, ook met een gemêleerde groep onderwijsprofessionals, op een studiereis naar Schotland geweest en was zo’n ‘gereedschapskist’ een van de opbrengsten. We hebben gezamenlijk nagedacht over de inhoud.

Nu, een tijd daarna, komt de metafoor weer om de hoek kijken en nu in het kader van onderzoek(en). Daar ligt momenteel een groot deel van mijn interesse, als het gaat om onderwijs. Als kersverse docent-onderzoeker bij het practoraat Tech@adoptie is onderzoek een (bijna dagelijks) terugkerend onderdeel van mijn werk. En de gereedschapskist kan mijn werk vertegenwoordigen. In deze gereedschapskist kan ik, als docent, allerlei gereedschap kwijt. En natuurlijk allemaal in metaforen gedacht natuurlijk. Ik sleep geen daadwerkelijk kist met me mee van lokaal naar kantoor en terug. Of naar een gesprek met een student. Maar die kist zit wel gevuld met allerlei stukken gereedschap, met elk een andere functie. Om mijn taken als docent (-onderzoeker, studieloopbaancoach en bron van kennis en ervaring) te kunnen uitvoeren.

Terug naar het onderzoek(en). In de gesprekken  met andere onderzoekers en docenten kwamen we er op uit dat onderzoek doen tot een van de gereedschappen behoort van de hedendaagse docent in het mbo. Om een (eigen bedachte, als je een betere weet, laat het dan horen) metafoor te gebruiken, kan ik mijn gereedschapskist een loep kwijt. Of mijn leesbril, steeds vaker nodig als ik me in literatuur wil verdiepen. En andere stukken gereedschap zouden een hamer kunnen zijn (op de spijker mee op z’n kop te slaan, als je een onderwerp in de lessen benadrukt), een tang (om de angel uit de groep te halen als het gaat om groepsdynamica), een meetlint (om langs te prestaties van de studenten te leggen, maar wel aangepast en in meerdere vormen in de kist) en een koevoet (om af en toe de boel eens goed open te breken). Sommigen hebben ook een zaag (om door te zagen over één onderwerp) en andere een waterpas (omdat ze altijd gelijk willen). Niet alle gereedschappen zijn even nuttig.

Heel leuk hoor, zo’n gereedschapskist of toolbox. En iedereen kan er figuurlijk mee rondlopen. Maar daarmee zijn we er nog niet. Niet iedere docent heeft dezelfde gereedschappen in zijn kist en misschien zit er soms zelfs iets in waar men niet weet hoe het te hanteren. Maar onderzoek als instrument om de kwaliteit van onderwijs te verhogen of om nieuwe manieren van leren te ontdekken, is ook niet in elke kist vertegenwoordigd.

En die kisten waar het onderzoek wel een stuk gereedschap is, omdat de docent nieuwsgierig en lerend is,  hoeven in de praktijk van het onderwijs nog niet eens tot hun recht te komen. Dat heeft weer te maken met de omgeving. Het is soms onvoldoende om te willen leren, om te onderzoeken en nieuwe wegen te willen vinden. Als de cultuur niet daarop ingericht is, als de school niet dezelfde ruimte biedt als in het hoofd van de docenten met onderzoek in de gereedschapskist, is het geen vanzelfsprekendheid. Daarom is het ontwikkelen en in stand houden van een onderzoekende cultuur binnen de school van cruciaal belang. Om het onderwijs van nu en de toekomst de nieuwsgierigheid te blijven prikkelen. Van studenten en docenten. Omdat ze samen onderwijs maken tot wat het is: dagelijks inspirerend en boeiend. En onderzoeken maakt daar deel van uit. Ieder op zijn eigen manier, met zijn eigen toolbox.

Advertenties

Altijd in beweging

Altijd in beweging

Sommige mensen, ook die in de eigen familie- of kennissenkring, hebben soms het idee dat lesgeven in het mbo altijd maar hetzelfde is. Dat het bestaat uit je lessen geven (voorbereiden hoeft niet meer, want dat doe je al 20 jaar……), beetje gesprekken voeren en vooral veel vakantie vieren. Niets is minder waar. Alhoewel ik persoonlijk niet klaag over de vakanties. En lessen voorbereiden doe ik nog steeds, telkens weer, omdat de werkelijkheid van de samenleving bijna dagelijks nieuwe input verzorgd. Actueel blijven is, in mijn ogen, van wezenlijk belang om het onderwijs (en dan spreek  ik vanuit mijn eigen beroepspraktijk van het zorgonderwijs) up to date en interessant te houden. Eeuwenoude theorie is soms nodig, maar de dagelijkse praktijk binnenhalen is voor de meeste studenten enorm belangrijk om te weten waar ze voor leren.

En het mbo is niet ‘altijd maar hetzelfde’. Sterker nog, je hebt de ene ontwikkeling (competentiegericht onderwijs, weet je nog?) nog niet achter de rug of de volgende staat je alweer te wachten. Niet dat dit voor de buitenwereld zichtbaar is. Nee, die ga je op een verjaardagsfeestje ook niet vertellen dat je, tussen het lesgeven en voeren van gesprekken door, continu bezig bent met de ontwikkelingen in je vakgebied. Zo zijn er de veranderende beroepsprofielen van de verzorgende en verplegende beroepen. In 2020 moeten alle, nieuwe beroepsprofielen in de wet BIG opgenomen zijn en zijn ze leidraad voor het werken in de praktijk. Dat betekent dat we, als onderwijs, aan de bak moeten om de studenten klaar te stomen voor die beroepsprofielen. Opgesteld met als uitgangspunt de CanMEDS rollen (CanMEDS = canadian medical Education directions for specialists). Ook iets compleet anders dan we al die jaren hiervoor gewend waren. Ook nieuw in het kwalificatiedossier. Nieuw in de boeken, nieuw in de lesmaterialen, examens en ga zo maar door.

En dan heb ik het nog niet over het nieuwe opleiden, waar we steeds meer mee te maken hebben. En waar ik overigens een groot voorstander van ben. Bekende (of steeds meer bekende) vormen daarvan zijn het hybride leren of het praktijkleren. Binnen onze opleiding zijn we ook gestart met een samenwerkingsverband met zorginstellingen om daarbinnen studenten vanaf dag één op te leiden in de zorgpraktijk, waardoor ze nog maar minimaal in de school komen. Ga dat maar eens uitleggen op een feestje: dat je studenten nog maar minimaal op school komen. Of dat je zelf les geeft in een zorginstelling. Of misschien doe ik dat binnenkort wel, want het is een succes en haalt zelfs de krant (regionaal weliswaar). En we zijn er trots op.

Al met al geven deze kleine voorbeelden, want er veranderd nog elke dag veel in het onderwijs, duidelijk aan dat het mbo niet statisch is, dat het vooral zeer flexibel is en dat we elke dag bezig zijn met vooruit kijken, met ontwikkelen en dat we, geheel volgens het plan: een leven lang leren.

Hallo allemaal…..!

Hallo allemaal…..!

Op aanwijzing van mijn studenten begint het met een stukje tekst uit een liedje dat zo’n beetje een eigen leven is gaan leiden. Een liedje uit een serie van de publieke omroep, die in drie weken meer dan 3,5 miljoen kijkers trekt, en waar meerdere versie voor de carnaval van gemaakt zijn. Dit slechts ter introductie.

Waar het om gaat heeft een meer of minder filosofische invalshoek, dit keer. Dat naar aanleiding van een masterclass die ik onlangs mocht volgen tijdens een werkconferentie in het kader van de nieuwe wet Zorg en dwang. Bijzonder interessant en het zette aan tot nadenken. De resultaten ervan (het nadenken) schrijf ik hier op.

De masterclass ging voor een deel over iets dat verwant is aan zorg en dwang: vrije wil. En in de masterclass werd duidelijk dat wij, als mensen, vaak een veel hogere verwachting hebben van onze vrije wil, dan we denken. En dat zette aan tot nadenken over mijn studenten, over regie voeren over hun opleiding, maar ook over de inhoud van de opleiding.

Een deel van de inhoud van de opleiding tot verzorgende IG omvat het onderwerp rouw en verlies en dan besteed ik aandacht aan het thema euthanasie. Je zou zeggen: een ultieme vorm van eigen wil en regie. Niets is minder waar. Er zijn zoveel haken en ogen aan, je moet echt verrekte je best doen om het toe te kunnen passen. En dat komt onder andere door de tegenstanders van deze daad. Mensen die denken dat je dan oneerbiedig bent tegenover iets wat je geschonken is: het leven. Het principe van iets krijgen en dan niet gebruiken maar weggooien.

In de masterclass werd dan ook gesproken over een geschenk, in het voorbeeld een espressomachine. Stel dat je die krijgt, aanpakt en weggooit. Dat zal de schenker niet leuk vinden, die zal het niet waarderen dat je zo omgaat met een geschenk. Ik dacht daar verder over na (zoals ik al eerder zei, hier volgt het resultaat van dat denken) en betrok daar ook meteen de debatten in de 1e kamer bij over het donorbeleid. Dat gaat ook over schenken.

Maar eerst het espressoapparaat. Stel dat je het krijgt, het veelvuldig gebruikt en na verloop van tijd tot de conclusie komt dat het alleen maar koffie zet die je niet lekker vindt. Sterker nog, die je niet kan verdragen. Als je het dan weggooit, ben je dan nog net zo oneerbiedig tegenover het geschenk en de schenker? Heb je dan niet je uiterste best gedaan het goed te gebruiken en heb je dan niet het recht om te besluiten dat het echt niet ‘jouw ding’ is. Dat je er vanaf wilt? Dan zou je het dus weg kunnen gooien, zonder dat iemand daar bezwaar tegen heeft. Tenslotte heb je je best gedaan. Zo vind ik het ook met euthanasie. Je mag dat echt niet, uit vrije wil, toepassen op elk (nieuw en misschien niet genoeg gebruikt) leven. Daar zijn regels voor, die deze vrije wil veel minder vrij maken dan wij verwachten. Maar het recht erop is wel een belangrijk goed, daar zou niemand aan mogen tornen.

En dan het debat in de 1e kamer, over het schenken van een orgaan aan iemand die het goed kan gebruiken omdat het leven anders (tegen iemands wil in) vroegtijdig zal eindigen. Te weinig mensen doen dat nu (uit vrije wil) en daarom ligt er een voorstel om die vrije wil een beetje te duwen in de richting van artikel 60 uit de wet BOPZ (Bijzondere opname psychiatrische ziekenhuizen), die in 2020 vervangen wordt door de wet Zorg en dwang. Dat artikel stelt dat iemand geen bezwaar, maar ook geen instemming verleent. Wat bijvoorbeeld zou kunnen als iemand comateus is. Of dood. En dan gaat geven, om een ander te redden. Mij lijkt het, persoonlijk, nobel. Daarom ben ik donor uit vrije wil. Maar ik sta ook achter het zorgvuldig toepassen van het artikel 60 principe. Soms is vrije wil niet zo vrij als je denkt, maar is dat ook niet heel erg. We zijn er inmiddels wel aan gewend dat veel gebeurd uit andere redenen dan onze vrije wil. Omdat die nu eenmaal redelijk beperkt is. Door beschermende regels en omdat we met z’n allen nadenken over zorgvuldigheid.

Vakmensen hun vak terug

Vakmensen hun vak terug

Stel je voor: je zet een stel gemotiveerde professionals bij elkaar en laat die bedenken hoe ze het vak dat ze uitoefenen willen verbeteren. Daarbij staan twee aspecten op de voorgrond: de beroepsgroep zelf en de kwaliteit van de uitoefening van het beroep. Wat denk je dat je dan krijgt? In het geval van mbo docenten was dat de start van een beroepsvereniging, die zich los van politiek of bestuur, wilde inzetten voor de instandhouding en verbetering van de kwaliteit van het middelbaar beroepsonderwijs in Nederland. En zo begon het, onder andere voor mij, in het jaar 2011.

Met name het los staan van politiek (ook in de zin van ‘niet begeven in de politieke arena’) of bestuur (geen ‘tegenstander van besturen in het mbo’) was reden om me aan te sluiten bij de groep gemotiveerde collega’s die zich samen willen inzetten om zich te verenigen, met als oogmerk: de kwaliteit van onderwijs en de onderwijsgevenden. En ook niet met de bedoeling om opleidingen te gaan geven of organiseren. Wel met de bedoeling om de beroepsgroep, van binnenuit, de kwaliteit te laten borgen en waar mogelijk te verbeteren. Dat idee kwam aardig overeen met een van de campagnepunten van Mark Rutte (Tweede Kamerverkiezingen 2006, toenmalig staatssecretaris bij Onderwijs en o.a. verantwoordelijk voor het mbo):  Vakmensen hun vak terug: bureaucratie aan banden.

Indertijd werd hij lijsttrekker van de VVD en in 2010 formeerde hij zijn eerste kabinet. De beroepsvereniging heeft er inmiddels al drie van meegemaakt (Rutte I, II en III) en nog steeds zijn de plannen van weleer actueel. Hoewel die nu wel in een ander licht zijn komen te staan, na vele ontwikkelingen. De belangrijkste ontwikkeling, waar de beroepsvereniging zich indertijd voor inzette, was de vorming van een register. Een register waarin docenten in het mbo (nu is het veel breder geworden) aantonen dat ze aan de kwaliteitseisen van de beroepsgroep (vergelijkbaar met het kwaliteitsregister van de beroepsverenigingen van verpleegkundigen/verzorgden en die van advocaten) voldoen. Die ontwikkeling, het tot stand komen van een beroepsregister is nu precies dat geworden waar wij indertijd vandaan wilden blijven: een politiek instrument (wettelijk geregeld), waar bestuurders straks beleid mee kunnen voeren (ontslag bij niet voldoen aan de eisen).

Begon de beroepsvereniging als ideaal in het kader van kwaliteit en inhoud, is het gegroeid naar de diepgang die het nu heeft en krijgt. De beroepsvereniging is volwassen geworden. Daar zijn de platforms een mooi voorbeeld van. Gezien het feit dat verpleegkundigen en verzorgenden zich goed en makkelijk verenigen (en dat is van meet af aan ook te merken geweest aan de samenstelling van het bestuur van de beroepsvereniging en de leden) is het slechts een kwestie van tijd of er is ook een platform voor docenten verpleegkunde.

Wil de beroepsgroep van docenten in het mbo zich de komende jaren nog thuis voelen in het onderwijs, zonder alleen maar te denken aan het scoren van punten voor het register, dan blijft de beroepsvereniging die thuishaven waar gewerkt wordt aan de inhoud. Dit getuigt onder andere het manifest (meer dan 2360 ondertekenaars inmiddels), waarin duidelijke speerpunten staan waar we als docenten aan moeten en kunnen werken. En waar  politiek en bestuur rekening mee moeten houden. Want al is de vereniging geen bestuursapparaat of politieke partij: uit het oog verliezen doet ze het niet.

Een goed jaar?

Een goed jaar?

De tijd van de wensen is weer aangebroken. Men wenst elkaar fijne (soms ook gezegende) feestdagen en een goed nieuw jaar. En daar werd ik ineens nieuwsgierig van. Want we wensen het elkaar nu wel, maar wanneer is er nu sprake van een ‘goed jaar’? Uiteraard is het een complete studie waard om hier een antwoord op te geven, de vraag is zo uitgebreid, dat red je niet in een blog als deze.

Ik wilde echter wel even langer bij de vraag blijven stilstaan om na te gaan of er iets over te zeggen valt.Want wie bepaald nu of 2018 een goed jaar zal worden? Je kan het een ander wel wensen, maar je kan nooit in het hoofd of hart van iemand kijken op het moment van uitspreken van de wens. We doen het op 31 december weer, bij de overgang naar 1 januari en hebben dan allen onze eigen gedachten erbij. Wie denkt op dat moment: ‘als ik de volgende verjaardag van mijn kleinkind haal, dan heb ik een goed jaar’ of ‘als mijn bedrijf dit jaar niet nog verder in de cijfers zakt, heb ik een goed jaar’? Er zijn net zoveel gedachten als er mensen zijn. En ik hoor onlangs dat het aantal mensen (en daarmee wensen) in Nederland harder groeit dan verwacht. Een wens (van sommige politici bijvoorbeeld) zou dan ook kunnen zijn dat in 2018 de groeit wat geremd wordt. Of dat de opgaande lijn van de Bitcoin geen ‘skihelling’ wordt (denken investeerders bij de klokslag 00.00 uur).

Voor mij zou 2018 een goed jaar kunnen zijn om vele redenen, ik kan er echt velen opnoemen die mijn jaar tot een goed jaar zouden kunnen maken (mijn familie gezond, mijn werk goed, onderzoeken, leren, ontwikkelen, de Vierdaagse, etc., etc.). En dan hoef ik echt geen miljonair te worden (net weer een paar loterijen opgezegd omdat het in 2017 ook weer geen knaller was) of een promotie te maken.

Voor het onderwijs zou het goed zijn als er beleidsmatige stappen gezet worden die het voor ons beter maken, zoals met betrekking tot het lerarenregister of een jaar geen nieuwe veranderingen (een jaar of wat gewoon ons het werk laten doen………..). En een jaar geen bezuinigingen in de zorg, zodat de sector een begin kan maken met aanvullen van het zo benodigde personeel.

Het is bij wensen ook vaak zo dat ze niet uitkomen, luister maar naar bekende liedjes (de meeste dromen zijn ook bedrog), wat niet wegneemt dat je ze kan (of moet?) hebben. Mijn moeder zei altijd dat ik ‘iets te wensen moest overhouden’. En er zijn gezegden die daarop ingaan of mensen die daar uitspraken over hebben gedaan. Zo zei Alexander Pola (voor de jaren’60 en 70 tieners nog wel bekend uit een satirisch programma): ‘De wens is de moeder van de teleurstelling’. Maar er zijn ook zeker positieve uitspraken over de wens (niet altijd luchtig..): ‘Zolang ik een wens heb, heb ik een reden om te leven. Tevredenheid is de dood.’ (Georg Bernard Shaw, Nobelprijswinnaar literatuur in 1925).

Ik wens iedereen dan ook toe dat hij/zij het jaar uitgaat met een mooie wens in het hoofd. Want ik hoop voor iedereen dat hij/zij nog lang wensen mag hebben. Enzo Ferrari (die van sportwagens) zei daarover: ‘Een man is pas oud als hij ’s morgens wakker wordt zonder wens in zijn hoofd.’ Ik ben nog niet zo oud en ik wens ook dit jaar komende jaar weer vol wensen en geslaagde momenten door te komen. Een fijn 2018!

Tweekoppig monster

Tweekoppig monster

Het leek er na de verkiezingen even op dat we in het mbo opgescheept zouden raken met een twee hoofdig bewind bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Mijn gedachten toen gingen uit naar, wat in o.a. de mythologie, bekend staat als meerkoppig. En in de spreekwoordelijke zin, die van de twee kapiteins op een schip bijvoorbeeld. En dan weet ik ook wel: de beste stuurlui staan aan wal.

Maar het kan ook positief uitgelegd worden: er is ook zoiets als een dubbelkoppige adelaar (scherp zicht, stevige grip) en die behoort met name toe aan de heraldiek, gericht op grote heersers. De tweekoppige adelaar kom je tegen in de wapens van o.a. diverse keizerrijken, het Roomse Rijk en in die van diverse landen (in voormalig Joegoslavië).

Iets minder positief denkend, maar wel met een opvoedkundige of onderwijzende rol, is het tweekoppig ‘monster’ uit Sesamstraat. Ook hier twee hoofden, die elkaar steeds weer tegenspreken en met een eigen mening hetzelfde lichaam (lees: ministerie) bewonen. Deze tweekoppige werd onder andere ingezet om kinderen te leren wat tegenstellingen inhouden. En hij sprak de meeste tijd in een onzinnige taal. Maar of we daar, als onderwijsprofessionals, op zitten te wachten……………leren van tegenstellingen?

Gelukkig is nu (om het mythologisch te beschouwen) het zwaard gevallen en heeft het mbo deel van het ministerie nog maar een hoofd, dat van Ingrid van Engelshoven. Dat zij mogelijk goed zal zijn, zou moeten voortkomen uit haar werkervaring als wethouder Onderwijs in Den Haag. Hoewel zij zich daar, bij een workshop over de toekomst van het mbo, bediende van een stukje “Stichting Open Deur” (het ontstaan van allerlei nieuwe beroepen en daar voor opleiden). Maar niettemin, het is beter dat daar duidelijkheid over bestaat. Welke minister is waar verantwoordelijk voor.

Het is ook duidelijk dat, hoewel Arie Slob de oorspronkelijke portefeuille van staatssecretaris Dekker overneemt, de nieuwe minister van Engelshove wel het gedachtengoed van Dekker overneemt: het lerarenregister zou de kwaliteit van het onderwijs bevorderen. Dat dit kan bij Arie duidelijk zijn, maar dat dit nog geen uitgemaakte zaak is, daar is hij ook over uit. De bal ligt terug bij de docenten. Er moet eerst verder uitgewerkt worden, de kwaliteitskaders moeten eerst geformuleerd zijn, voordat tot invoering over gegaan kan worden. Daar hebben de 24 afgevaardigden nog wel even werk aan. En zij bepalen daarmee ook de termijn van invoering. En we kennen het uit de politiek: waar zoveel mensen een overeenkomst moeten bereiken, vloeit er eerst heel water door de Rijn voordat er beslissingen genomen worden. Ik zal het blijven volgen, met maar een hoofd, weliswaar.

Schrijven is schrappen

Schrijven is schrappen

De naam is Schrijver, geen Schrapper.

Ik heb het weer mogen merken: als je schrijft moet je schrappen. Niet als je gewoon, voor de lol, een blog schrijft. Dan kan je in principe schrijven tot je een ons weegt. Niet dat je verhaal daar interessanter van wordt, maar het kan wel.

Maar als je schrijft in het kader van een professionele opdracht, zoals het schrijven aan hoofdstukken uit boeken voor een educatieve uitgeverij, of je schrijft een position paper omdat je graag zou willen gaan starten met een promotieonderzoek, dan is het anders. Heel erg anders. Dan is het lekker schrijven tot een bepaald punt heel goed te doen, maar dan komt het moment waarop je beseft dat je een maximum aantal woorden hebt. En dat je daar overheen bent. Ruimschoots. En dan wordt schrijven ineens een compleet ander proces. Een proces van selecteren, van ‘to the point komen’, afwegen van belangrijke en minder belangrijke delen tekst. En natuurlijk is alles, tot op dat moment, belangrijk en kan de tekst eigenlijk niet zonder al die (teveel geschreven) woorden. En dan? Dan wordt het schrappen.

En dat is niet makkelijk. Zeker als je kijkt naar de betekenis die de Van Dale er aan geeft: doorhalen en vervolgens niet meer erkennen. Dat betekent eigenlijk dat je je uit het oog en uit het hart gebannen wordt. Dat is nogal wat. Maar het schijnt ook een test voor jezelf te zijn. In het Engels noemen ze het wel ‘Kill your darlings’. Nou, zo erg was het niet, niet bij de boeken waar ik het afgelopen jaar aan mee geschreven heb en ook niet bij het paper dat ik onlangs toezond aan mijn beoordelaars. Deze waren in de voorgaande weken al mijn redacteur geweest, zoals ik deze ook heb bij de uitgeverij. Die redacteuren zorgen er wel voor dat je minder woorden gebruikt om hetzelfde te zeggen, zonder de overbodige ballast.

Een paradoxaal iets, dat schrijven. Want het tegenovergesteld gebruiken voor iets dat je produceert blijft vreemd. Bij het zoeken naar verklaringen voor de titel (want die kwam ineens bij me op als start van deze blog), kwam ik op het spoor van diverse uitleggen ervoor. Zo wordt de Elsschotproef genoemd, waarbij je delen van de tekst weglaat zonder de essentie te verliezen. Maar je komt dan ook uit bij Herman Finkers. Nu ben ik daar al jaren fan van, dus het was geen straf om delen van zijn conferences te beluisteren, tijdens het schrijfproces. Daarbij noemde hij ook een ‘echte schrijver’, hoewel ik van geboorte ook een “echte” ben. Hij noemt Harry Mulisch, welke, volgens Herman, ooit een prachtige uitspraak deed over schrijven: hij las een eigen tekst terug en dacht hardop ‘dat heb ik niet geschreven, maar God’. Op de vraag waarom hij zo van overtuigd was dat God het zelf geschreven had, antwoordde hij: ‘Ik schrijf beter’.

Dat moet toch mooi zijn, als je zo overtuigd bent van je schrijftalent. Nog mooier is natuurlijk als dat ook door duizenden lezers (en prachtige verkoopcijfers) bevestigd wordt. En dat is voor velen niet weggelegd. Die mogen dan wel Schrijver heten, maar zullen het nooit echt zijn. Die beperken zich tot zieleroerselen op het web. Maar je weet maar nooit………..Als je heel lang over iets nadenkt kom je altijd uit bij iets wat niet klopt. Ga maar na, klopt altijd. (Herman Finkers)